Nee, slapeloosheid ligt niet aan je persoonlijkheid. Wat we in het dagelijks leven vaak karakter noemen, valt in wetenschappelijk onderzoek grotendeels onder persoonlijkheid. In mijn promotieonderzoek vond ik bij mensen met slapeloosheid zonder bijkomende psychische klachten geen specifiek afwijkend persoonlijkheidsprofiel. Uit ander onderzoek blijkt dat er wel verschillen zijn in slaapreactiviteit: hoe sterk stress zich bij jou vertaalt naar een slechte nacht. Die eigenschap heeft zowel genetische als omgevingscomponenten en is niet onveranderlijk.
Ik hoorde het in mijn spreekkamer bijna dagelijks: "Ik ben nu eenmaal een slechte slaper, dat zit in mijn karakter." Meestal volgde er een lijstje: te gevoelig, te perfectionistisch, te veel in mijn hoofd.
Wat is slaapreactiviteit?
Slaapreactiviteit is de mate waarin stress zich bij jou vertaalt in een verstoorde slaap. Twee mensen maken dezelfde drukke week mee: de een slaapt gewoon door, de ander ligt drie nachten wakker. Dat verschil heeft vaak weinig te maken met wilskracht of persoonlijkheid, maar onder andere met hoe reactief je slaapsysteem is.
Onderzoekers hebben die gevoeligheid letterlijk getest. In een studie van Bonnet en Arand kregen deelnemers een half uur voor het slapen 400 milligram cafeïne, het equivalent van ongeveer vier koppen filterkoffie, of werd hun slaaptijd drie of zes uur naar voren geschoven. Sommige deelnemers sliepen daar relatief weinig slechter van, terwijl bij anderen de slaap veel sterker verstoord raakte. Dezelfde verstoring, een heel andere nacht.
Belangrijker nog: die gevoeligheid verhoogt de kans op slapeloosheid. Jarrin en collega's volgden meer dan 1.400 goede slapers twee jaar lang. Wie bij de start een hoge slaapreactiviteit had, ontwikkelde in die periode vaker slapeloosheid dan wie laag scoorde. Mensen met slapeloosheid reageren volgens onderzoek van Baglioni en collega's sterker op stress dan goede slapers, en die stressgevoeligheid is er vaak al vóórdat de slapeloosheid begint.
Is slaapreactiviteit erfelijk?
Ja, voor een deel. Familie- en tweelingonderzoek suggereert dat slaapreactiviteit voor ongeveer een derde erfelijk bepaald is, al verschillen de schattingen tussen studies en tussen mannen en vrouwen. Dat helpt verklaren waarom slapeloosheid in families kan voorkomen. Je erft niet simpelweg de slapeloosheid, wel onder meer een gevoeliger slaapsysteem.
Een mogelijke evolutionaire verklaring
Ik vind het idee van erfelijkheid bij slaapreactiviteit niet zo vreemd. Een mogelijke evolutionaire verklaring is dat verschillen in slaap en waakzaamheid binnen een groep ooit nuttig waren. Wanneer mensen op verschillende momenten wakker of licht slapend zijn, is de kans groter dat er steeds iemand alert is op de omgeving. Dat idee past bij de zogenoemde schildwachthypothese. Misschien waren gevoelige slapers dus ooit juist handig om in de groep te hebben.
Slaapreactiviteit kan stijgen door wat je meemaakt
Minstens zo interessant is dat slaapreactiviteit niet volledig stabiel is. Kalmbach en collega's lieten zien dat een lage slaapreactiviteit kan veranderen in een hoge wanneer iemand een periode van slapeloosheid doormaakt. Ze noemen dat slaapsysteemsensitisatie: het systeem raakt gevoeliger door de slapeloosheid zelf.
Ook ingrijpende gebeurtenissen hangen samen met een hogere slaapreactiviteit. Reffi en collega's onderzochten in 2022 241 volwassenen en vonden dat meer emotioneel en fysiek misbruik in de kindertijd samenhing met een hogere slaapreactiviteit en meer slapeloosheidsklachten op volwassen leeftijd. Bij mensen met een traumageschiedenis kan daarom meer spelen dan alleen de gebruikelijke factoren die slapeloosheid in stand houden. Daar kom ik zo op terug.
Is er een biologische marker?
Nee, nog niet. Of je slaapsysteem reactief is, kun je op dit moment alleen met vragenlijsten vaststellen. Of er ook een betrouwbare biologische marker voor slaapreactiviteit bestaat, weten we nog niet. Een mogelijke kandidaat die wordt onderzocht is fragmentatie van de REM-slaap, maar het bewijs daarvoor is voorlopig. Insana en collega's vonden bij militaire veteranen dat meer belastende ervaringen vroeg in het leven samenhingen met meer objectief gemeten versnipperde REM-slaap. Maurer en collega's onderzochten vervolgens of slaaprestrictietherapie die REM-fragmentatie kon veranderen. Zij vonden daarvoor geen duidelijk bewijs, ondanks een duidelijke verbetering van de slapeloosheidsklachten.
Dit onderzoek maakt REM-fragmentatie interessant als mogelijk kenmerk van kwetsbaarheid, maar het is nog veel te vroeg om het de biologische verklaring van slaapreactiviteit te noemen. Meer over die REM-fragmentatie lees je in waarom slaap ik slecht.
Hebben slechte slapers een andere persoonlijkheid?
Nee, niet bij mensen met slapeloosheid zonder bijkomende psychische klachten. In mijn eigen onderzoek vond ik geen specifiek afwijkend persoonlijkheidsprofiel. Historisch werd slapeloosheid in verband gebracht met perfectionisme, ontevredenheid, veeleisendheid, weinig zelfvertrouwen en een grote gevoeligheid voor spanning. Toen ik voor mijn proefschrift de wetenschappelijke literatuur naast elkaar zette, viel me één ding op: bijna geen enkele studie maakte onderscheid tussen slapelozen mét en zónder bijkomende psychische klachten.
Dat onderscheid is belangrijk, want angst en somberheid hangen zelf samen met stressgevoeligheid en met minder flexibiliteit. Lundh en collega's zagen al in 1995 dat de gevonden persoonlijkheidsverschillen veel minder uitgesproken waren in de subgroep met psychofysiologische slapeloosheid, die een relatief normaal persoonlijkheidsprofiel liet zien.
Verschillende persoonlijkheden, dezelfde klacht
Ik besloot het zelf te onderzoeken. Mensen met slapeloosheid maar zonder bijkomende psychische problemen vertoonden in mijn onderzoek geen specifieke persoonlijkheidskenmerken. Een verklaring is dat slapeloosheid zoveel verschillende oorzaken heeft dat mensen met heel verschillende persoonlijkheden dezelfde stoornis kunnen ontwikkelen. De een gaat slechter slapen door zorgen en veeleisendheid, de ander door een onregelmatig schema en weinig motivatie om dat te veranderen. De klacht is hetzelfde, de weg ernaartoe niet.
Slapeloosheid als op zichzelf staand probleem
Dat sluit aan bij iets anders wat ik zag. Van ruim 200 mensen met slapeloosheid die ik in een slaapcentrum onderzocht, had ongeveer de helft géén bijkomende psychische klachten. Chronische slapeloosheid is vaak een op zichzelf staand probleem, geen symptoom van een gebrekkige persoonlijkheid of van een depressie.
Waarom voelt het dan toch als je persoonlijkheid?
Omdat het voortbestaan van slapeloosheid wél samenhangt met gedachten en gedrag, alleen niet per se met wie je bent. Het model van Spielman en Glovinsky onderscheidt aanleg, aanleiding en in stand houdende factoren. Hoe die drie samenwerken lees je in waarom slaap ik slecht. Voor dit artikel is vooral die laatste groep belangrijk: piekeren over wakker liggen, overdag dutten, langer in bed liggen, op de klok kijken en torenhoge verwachtingen van een ononderbroken nacht.
Aangeleerde patronen en mijn eigen ervaring
Die patronen lijken misschien iets te zeggen over je persoonlijkheid, maar ze zijn meestal aangeleerd, en wat is aangeleerd, kun je vaak ook weer veranderen. Ik weet dat uit eigen ervaring. In de periode dat ik slecht sliep, had ik geen zorgen of somberheid. Ik werkte met veel plezier aan een theatervoorstelling en leerde twintig dansers een choreografie aan. De muziek en de danspassen bleven 's nachts in mijn hoofd hangen. Positieve opwinding houdt je net zo goed wakker als negatieve stress, en mijn reactieve slaapsysteem deed de rest. Toen de voorstelling voorbij was en ik mijn tijd in bed inkortte, verdwenen de problemen. Mijn persoonlijkheid was intussen niet veranderd.
Wat betekent dit voor de aanpak?
Eerder beginnen: de timing
Slaapreactiviteit zegt mogelijk ook iets over wanneer het zinvol is om in te grijpen. Yang en collega's gaven mensen met acute slapeloosheid, korter dan drie maanden, een online cognitieve gedragstherapie voor insomnie van één week. Na twaalf weken had de behandelgroep minder vaak chronische slapeloosheid ontwikkeld en was ook de gemeten slaapreactiviteit afgenomen. Dat ondersteunt het idee dat vroeg behandelen zinvol kan zijn, maar bewijst nog niet dat daarmee sensitisatie van het slaapsysteem wordt voorkomen.
Een realistische verwachting
Hoe sterk slaapreactiviteit de behandeluitkomst voorspelt, weten we nog niet goed. Park en collega's vonden in een kleine pilotstudie met negentien patiënten dat beide groepen duidelijk verbeterden met cognitieve gedragstherapie voor insomnie (CGT-I). Bij deelnemers met een hoge slaapreactiviteit verbeterde de slaapefficiëntie minder sterk, terwijl voor onder meer de ernst van de slapeloosheid geen duidelijk verschil tussen de groepen werd gevonden. Het is daarom nog onzeker in hoeverre slaapreactiviteit de behandeluitkomst voorspelt. Een hoge slaapreactiviteit is in ieder geval geen reden om CGT-I niet in te zetten.
Daarnaast kunnen bijkomende psychische klachten de behandeluitkomst beïnvloeden. Uit mijn eigen onderzoek weet ik dat bijvoorbeeld depressieve klachten en bepaalde manieren van omgaan met gedachten samenhangen met een minder gunstige uitkomst. Bij jeugdtrauma, depressie of angst is het daarom belangrijk om niet alleen naar de slaap te kijken, maar de behandeling goed af te stemmen op het bredere psychische beeld.
Dat betekent overigens niet dat behandeling van het trauma of de depressie de slapeloosheid vanzelf oplost. In het Centrum voor Slaapgeneeskunde Kempenhaeghe, waar ik werkte, zag ik regelmatig mensen die uitgebreid EMDR hadden gehad, maar bij wie de overmatige alertheid in de nacht en de slapeloosheid bleven bestaan. De slapeloosheid vraagt dan vaak om een eigen behandeling, naast de behandeling van het trauma. Andersom geldt ook dat behandeling van slapeloosheid bij mensen met depressie of angst vaak gunstige effecten heeft op die klachten.
De basis van de behandeling blijft hetzelfde
Een hoge slaapreactiviteit vraagt op zichzelf niet om een andere bewezen behandeling. CGT-I blijft de aangewezen aanpak bij chronische slapeloosheid, met onder meer het begrenzen van de tijd in bed, stimuluscontrole en het verminderen van slaapgerelateerde spanning en hardnekkige overtuigingen over slaap. Hoe je dat toepast, kan wel verschillen per persoon en bij bijkomende problematiek.
Wat er wel en niet werkt, zet ik op een rij in wat helpt écht tegen slecht slapen. En dat wakker liggen op zichzelf niet het probleem is, maar de spanning eromheen, lees je in wakker liggen is normaal.
Geen karaktereigenschap en geen vaststaand lot
Een hoge slaapreactiviteit is geen karaktereigenschap en ook geen vaststaand lot. Het is een relatief stabiele kwetsbaarheid waarbij het slaapsysteem sterker reageert op stress en belasting. Een deel daarvan is erfelijk bepaald, maar die aanleg bepaalt niet één op één hoe iemand uiteindelijk slaapt. Ervaringen, stress, gedrag en de manier waarop iemand met wakker liggen omgaat, bepalen mede of die kwetsbaarheid zich daadwerkelijk vertaalt in aanhoudende slapeloosheid.
Benieuwd wat voor slaper jij bent? Doe de gratis slaaptest. Meer artikelen over slapeloosheid vind je in de hub slapeloosheid.
Slaap je al langer dan drie maanden slecht, of speelt er een depressie, angst of een ingrijpende gebeurtenis mee? Bespreek het met je huisarts. Dit artikel geeft algemene informatie en leefstijladviezen en vervangt geen medisch advies.
Veelgestelde vragen
Hebben slechte slapers een ander karakter?
Nee, niet als het gaat om je persoonlijkheid als geheel. In mijn promotieonderzoek vond ik bij mensen met slapeloosheid zonder bijkomende psychische klachten geen specifiek afwijkend persoonlijkheidsprofiel. Wat wel meespeelt is slaapreactiviteit: hoe gevoelig je slaap is voor stress. Die eigenschap is deels aangeboren, maar piekeren, spanning en gewoontes rond de nacht zijn goed te beïnvloeden.
Krijg je slapeloosheid van je ouders mee?
Voor een deel. Je erft daarbij niet simpelweg de slapeloosheid, maar onder meer een zekere slaapreactiviteit: hoe gevoelig je slaap is voor verstoring door bijvoorbeeld stress. Die reactiviteit heeft zowel genetische als omgevingscomponenten. Aanleg verhoogt het risico, maar je leefstijl, je gewoontes rond de nacht en wat je meemaakt blijven minstens zo belangrijk.
Kun je slaapreactiviteit verlagen?
Mogelijk. Een hoge slaapreactiviteit is geen vaststaand lot: mensen met acute slapeloosheid die vroeg een online cognitieve gedragstherapie van één week kregen, hadden in één onderzoek na twaalf weken een lagere slaapreactiviteit en ontwikkelden minder vaak chronische slapeloosheid. Dat ondersteunt het idee dat vroeg behandelen zinvol kan zijn, al is nog niet bewezen dat je daarmee voorkomt dat je slaapsysteem gevoeliger wordt.
Bronnen
- Insana SP, Kolko DJ, Germain A. Early-life trauma is associated with rapid eye movement sleep fragmentation among military veterans. Biological Psychology. 2012;89(3):570-579.
- Maurer LF, Sharman R, Espie CA, Kyle SD. The effect of sleep restriction therapy for insomnia on REM sleep fragmentation: a secondary analysis of a randomised controlled trial. Journal of Sleep Research. 2024;33(1):e13982.
- van de Laar M, Verbeek I, Pevernagie D, Aldenkamp A, Overeem S. The role of personality traits in insomnia. Sleep Medicine Reviews. 2010;14(1):61-68.
- van de Laar M, Leufkens T, Bakker B, Pevernagie D, Overeem S. Phenotypes of sleeplessness: stressing the need for psychodiagnostics in the assessment of insomnia. Psychology, Health & Medicine. 2017;22(8):902-910.
- van de Laar M, Pevernagie D, van Mierlo P, Overeem S. Psychiatric comorbidity and aspects of cognitive coping negatively predict outcome in cognitive behavioral treatment of psychophysiological insomnia. Behavioral Sleep Medicine. 2015;13(2):140-156.
- Lundh LG, Broman JE, Hetta J. Personality traits in patients with persistent insomnia. Personality and Individual Differences. 1995;18(3):393-403.
- Drake C, Richardson G, Roehrs T, Scofield H, Roth T. Vulnerability to stress-related sleep disturbance and hyperarousal. Sleep. 2004;27(2):285-291.
- Bonnet MH, Arand DL. Situational insomnia: consistency, predictors, and outcomes. Sleep. 2003;26(8):1029-1036.
- Jarrin DC, Chen IY, Ivers H, Morin CM. The role of vulnerability in stress-related insomnia, social support and coping styles on incidence and persistence of insomnia. Journal of Sleep Research. 2014;23(6):681-688.
- Drake CL, Scofield H, Roth T. Vulnerability to insomnia: the role of familial aggregation. Sleep Medicine. 2008;9(3):297-302.
- Drake CL, Friedman NP, Wright KP, Roth T. Sleep reactivity and insomnia: genetic and environmental influences. Sleep. 2011;34(9):1179-1188.
- Fernandez-Mendoza J, Shaffer ML, Olavarrieta-Bernardino S, Vgontzas AN, Calhoun SL, Bixler EO, Vela-Bueno A. Cognitive-emotional hyperarousal in the offspring of parents vulnerable to insomnia: a nuclear family study. Journal of Sleep Research. 2014;23(5):489-498.
- Kalmbach DA, Pillai V, Arnedt JT, Anderson JR, Drake CL. Sleep system sensitization: evidence for changing roles of etiological factors in insomnia. Sleep Medicine. 2016;21:63-69.
- Reffi AN, Kalmbach DA, Cheng P, Jovanovic T, Norrholm SD, Sexton MB, Mahr G, Arnett L, Seymour G, Drake CL. Sleep reactivity as a potential pathway from childhood abuse to adult insomnia. Sleep Medicine. 2022;94:70-75.
- Park K, Kim G, Lee J, Suh S. Differences in treatment effects of cognitive-behavioral therapy for insomnia based on sleep reactivity: a preliminary study. Behavioral Sleep Medicine. 2023;21(3):332-343.
- Yang L, Zhang J, Luo X, et al. Effectiveness of one-week internet-delivered cognitive behavioral therapy for insomnia to prevent progression from acute to chronic insomnia: a two-arm, multi-center, randomized controlled trial. Psychiatry Research. 2023;321:115066.
- Spielman AJ, Glovinsky PB. The varied nature of insomnia. In: Hauri PJ, ed. Case Studies in Insomnia. New York: Plenum Press; 1991:1-15.
- Morin CM, Jarrin DC. Epidemiology of insomnia: prevalence, course, risk factors, and public health burden. Sleep Medicine Clinics. 2022;17(2):173-191.
- Baglioni C, Spiegelhalder K, Lombardo C, Riemann D. Sleep and emotions: a focus on insomnia. Sleep Medicine Reviews. 2010;14(4):227-238.
- van de Laar M. Slapen als een oermens. Spectrum; 2025. Hoofdstuk 4: Slapeloze nachten.
Gecontroleerd door Merijn op 2 oktober 2026. Hoe artikelen tot stand komen en worden gecontroleerd staat in het redactiestatuut. Dit artikel geeft algemene informatie en leefstijladviezen en vervangt geen medisch advies. Heb je langere tijd last van slecht slapen of vermoed je een slaapstoornis? Bespreek het met je huisarts.
Lees ook
- SlapeloosheidBij uitputting ligt het voor de hand om meer te rusten en langer in bed te blijven. Toch kun je doodmoe zijn en 's nachts moeilijk in slaap vallen, want uitgeput zijn en slaperig zijn zijn twee verschillende dingen. In dit artikel leg ik uit waarom meer tijd in bed de slapeloosheid kan onderhouden, waarom je aanhoudende slaapproblemen niet hoeft te parkeren tot je burn-out voorbij is, wat het onderzoek wel en niet laat zien en wat een werkgever kan doen.
- SlapeloosheidWie een psychotrauma heeft meegemaakt, slaapt vaak jarenlang onrustig. Die onrust is heel logisch en kan te maken hebben met een lichaam dat 's nachts alert blijft. De standaardbehandeling van slapeloosheid kan leiden tot beter slapen, maar is niet altijd voldoende. Ik leg uit wat een trauma met je slaapsysteem kan doen, waarom de ingangsklacht vaak bepaalt welke behandeling voorop staat, en wat ik in het Centrum voor Slaapgeneeskunde Kempenhaeghe soms zag werken.
- SlapeloosheidWie slecht slaapt, krijgt tips, pillen, druppels en apps aangeboden. De richtlijnen zijn eenduidig: bij chronische slapeloosheid is cognitieve gedragstherapie de eerste keuze, en gedragsverandering is daarin een belangrijk deel van het effect. Dit artikel zet CGT-I, online behandeling, slaaprestrictie, stimuluscontrole, ACT, slaapmiddelen, slaaphygiëne, supplementen, apps, trackers, slaaptrucjes en melatonine naast elkaar, met het bewijs erbij.
Weet je niet welke vraag de jouwe is? Begin bij de slaaphulp
